vrijdag 25 april 2014

Lief kleintje....

Lief kleintje,

De tijd gaat snel en de weken vliegen in zo’n rap tempo voorbij dat ik het soms haast niet meer kan bijhouden. Nog 7 weken (ongeveer) en dan mogen we je verwelkomen. Het is duidelijk dat je sommige mensen al herkent. Vooral als je vader tegen je praat begin je druk te spartelen.

Als je eenmaal geboren bent zul je heel veel mensen leren kennen en er zullen ontmoetingen zijn die een diepe indruk op je achter laten. Gisteren hebben jij en ik zo’n bijzondere ontmoeting gehad. Ik zal Sarah, en vooral haar omstandigheden niet snel vergeten. Ik denk en hoop dat mijn ontmoetingen met mensen zoals haar uiteindelijk ook een stempel zullen drukken op het leven dat jij gaat hebben. Omdat mensen zoals Sarah ons leren om ons minder zorgen te maken en vaker dankbaar te zijn. Omdat ze ons laten zien dat wat we hebben niet vanzelfsprekend is en omdat hun leven uitnodigt om te delen.

Mijn collega had een paar weken geleden in een ziekenhuis een fotoshoot gedaan voor een internationaal rapport over pasgeboren baby’s. Er waren prachtige foto’s gemaakt en aan de moeders was beloofd dat ze een paar afdrukken zouden krijgen. De meeste moeders hadden een adres gegeven en de foto’s konden zo op de post. Dat was niet het geval bij de foto’s van Sarah en haar tweeling die, hoewel ze rond de uitgerekende datum geboren waren veel te klein waren geweest en daarom meer dan een maand in het ziekenhuis hadden gelegen. Het telefoonnummer dat Sarah gegeven had was van een boer waar haar man af en toe voor werkte. Een van de weinige personen in haar leven met een telefoon. Het adres was een vage beschrijving van een kruising van twee wegen, in een landelijk gebied waar vervoer grotendeels gebeurd met paard en wagen over kronkelige zandweggetjes. Niet een plek die je zou verwachten midden in de wereldstad Kaapstad. De meeste mensen die er wonen spreken vooral Afrikaans en geen Engels, mijn collega spreekt dit niet en daarom vroeg ze of ik mee wilde. Met hulp van een foto en veel vriendelijke mensen hebben we het huisje van Sarah kunnen vinden.

Voor de deur die wijd open stond lag een berg afval waar op het moment dat we dichterbij kwamen een grote zwerm insecten uit kwam vliegen. Uit het huisje kwam een schurftige magere hond geglipt en toen we op de deur klopten en met onze ogen knipperden om te wennen aan het schemerdonker riep een kinderstem dat we binnen mochten komen. 5 broertjes met groezelige gezichtjes zaten op een bed, sommigen slechts half gekleed. De oudste groette ons verlegen maar durfde verder niet zo veel te zeggen. De jongste twee waren de babies, waarvan de kleinste erg kwetsbaar leek en nog geen twee kilo zwaar was. Sarah was even weg maar zou snel terug komen.

Daar stond ze plotseling in de deuropening, een tengere vrouw, de littekens in haar gezicht  verrieden dat haar leven niet gemakkelijk was. Ze leek niet verbaasd dat we haar gevonden hadden, ze vertoonde weinig emoties toen we haar de foto’s gaven en toen een van de baby's begon te huilen knoopte ze haast stoïcijns haar blouse open om hem te voeden terwijl ze met haar andere hand een van de peuters van het bed trok omdat ‘zijn vieze blote voeten de deken die ze gisteren gewassen had vies maakte’.

Ze vertelde dat ze niet wist dat ze in verwachting was van een tweeling. De weeën waren begonnen terwijl ze met het huishouden bezig was en voor ze het wist was haar zoontje, dat slechts 1200 gram woog, geboren. Toen de ambulance kwam om haar en haar baby naar het ziekenhuis te brengen vertelde de verpleger haar tot haar verbazing dat er nog een baby zou komen. Ze schrok er niet van. ‘Ik besloot dat ik er het beste van zou maken, ook toen ik een maand in het ziekenhuis moest blijven omdat de jongens zo klein waren.’ Ze maakt geen planningen, heeft geen tijdschema's. Het leven overkomt haar en alles wat ze kan is proberen om te overleven. Ze is sterk en dapper, maakt zich geen zorgen over dingen die er niet echt toe doen want daar heeft ze geen tijd voor.

Toen we bij haar wegreden huilde mijn hart. 
Een beetje uit schaamte. Ik maak me druk over welke kleur ik je ledikantje moet gaan verven. Zij slapen met het hele gezin in een tweepersoonsbed.
Een beetje uit onmacht en boosheid. Dit was geen ‘ver-van-mijn-bed-show’, dit gezin woont vlak bij mij, in dezelfde stad, maar hun leven, hun hoop en dromen en hun vooruitzichten zijn zo ver van wat ik kan bevatten.
Een beetje uit verdriet. De jochies, vooral de kleinste, waren zo klein, zo kwetsbaar. De winter komt er aan. Het tochtige kleine huisje waarin ze wonen zal weinig bescherming bieden tegen de regen en de kou. Ook de andere kinderen vertoonden duidelijk tekenen van ondervoeding en groeiachterstand. Zouden ze gezond blijven?

Voor we wegreden had ik het kleine hummeltje van nog geen twee kilo in mijn armen en jij, ons kleine hummeltje van bijna twee kilo trapte van binnenuit tegen zijn voetjes aan. In mijn gedachten zag ik voor me hoe jij hem met die schopjes uitnodigde om samen een potje voetbal te spelen. Om samen kind te zijn. En dat het je niet uitmaakte dat hij er groezelig uitzag, dat hij een andere huidskleur had en dat jullie niet dezelfde taal spraken. Dat is mijn droom, dat je niet op zal groeien in een bevoorrecht elitair wereldje maar dat je een kleine bruggenbouwer gaat worden die vriendschappen durft aan te gaan met mensen die zo anders leven als jij. En ik hoop dat wij de moed zullen hebben om je daarin altijd het goede voorbeeld te geven. Ook als het confronterend is, als het pijn doet, als het ons meer kost dan ons lief is.


Liefs van je moeder

2 opmerkingen: